Niki schrijf je met één K

die van kampioen
met karakter en kloten uit Krommenie
coureur van Quickstep koersend over
Carrefour de l’arbre als was ’t een wielerbaan

die van de laatste kilometers
de kruisweg die geen mededogen kent
knallen krommen knarsen kraken
en nooit, nee nooit omkijken

Niki schrijf je met één K
die van kampioen
met een klakske op z’n kop
en een kolossale kassei in z’n klauwen


Bort Hartog

Anders op de fiets

Anders op de fiets
hij ziet de kek geschoren benen
een woud vol mooi gelakte poten
snoepwerk voor zijn fantasie

elke demarrage gebalde spieren
wegvluchtend van zijn lusten
hij trekt mee de heuvels op en af

geen man mag ooit zijn aard
hier kennen of een vermoeden
dragen van zijn lichamelijke leed

verdragend elke dag in de schoot
van het denderende peloton
een eenling een enkeling van staat

al wint hij telkenmale aan de finish komt hij nooit


Kees van Meel

Gent - Wevelgem '18

Van Gent waar de poëzie torenhoog
overeind staat en niet alleen
in het huis op de Vrijdagmarkt

kleurrijk feest van shirts en wielerbroeken
geen regen die vat heeft op het zweet
het gretige van jonge jongens in de strijd

twee keer Zwarteberg en Kemmel een kruisgang
hoe ze voor de God van Vlaanderen knielen
als het verzet even hapert of verkeerd staat

het schakelen uit de vingers getrokken
nu het zich met tippen van elektriek bedient
het motortje te vroeg opgeblazen

‘Erbarme dich’ zingen toegestroomde leeuwen
langs de kant van kasseien en Plugstreet
ze moedigen met vlaggen de helden aan

die het aan het eind afleggen
tegen gehaaide kopmannen met hun oortjes
zij lezen de koers als een verweerd missaal

weten dat het doek valt op de meet
waar een washand modder van de koppen veegt
uitgeblust leven klaart op in Wevelgem


Frans Terken

Gelost

hij zakte uit de zuigkracht van de waaier
sneed de polsen aan de wind de aders blauw
gemerkt tot in zijn diepste poriën

maar meter na meter verdween hij met
kompanen naar de achtergrond waar strijd
om winst of verlies niet meer telde

minder dan het overleven tussen de zwakste
schakels van deze rit midden tussen volgauto’s

hij wist zijn moeder met nat washandje
vergeefs wachten voorbij de finishlijn


Kees van Meel

Waaiers

Regen en meeuwen waaien landinwaarts.
En omdat het geen weer is om een hond
door te jagen, rijdt daar dan maar een rij
renners, een sliert van kromgebogen mannen
op metaal. Schouder tegen schouder zoeken
deze piotten beschutting in rotten. Leunend
en diagonaal. Tot ze, kreunend, alleen nog
weet hebben van volgen.

De strakke zeebries is er om het peloton te ordenen.
En een waaier wordt zo lang als de weg breed is.
Er zijn de dapperen, er zijn de schuin-
marcheerders. Aan kant moeten ze, die laatsten.
Als in een tafereel van Permeke: schots en scheef,
met de elleboog op een denkbeeldige toog wapperend,
kapseizen zij expressionistisch uit het lint.
Raken zij in de wind.


Patrick Cornillie

De gevallen engel

of de Calvarie van Frank Vandenbroucke in zeven staties

-I-

Genesis, Moeskroen, 6 november 1974
In het begin schiep God de hemel en de aarde.
De aarde was woest en leeg.
Toen sprak God: 'Er moet licht zijn'.
Na de dieren en de planten te hebben geschapen
en alles wat over de grond kruipt, soort na soort,
zag God dat het bijna goed was en sprak:
'Nu gaan we de mens maken, maar eerst de renner
die als mijn evenbeeld zal leven,
even almachtig en door iedereen aanbeden
'.

En God schiep Frank, de Adam van de racefiets,
mooie vrouwen kregen een plaats naast hem
om hem te behagen en gelukkig te maken.
Maar ook hier deed de verboden vrucht haar werk
van zonde en verval, er waren dranken en spijzen
die niet mochten worden gedronken of gegeten,
God had de renner begenadigd en vergiftigd tegelijk,
de zondeval werd zijn niet te vermijden deel.
Een slang lachte haar gifklieren bloot,
het fatum der Romeinen was geboren.

-II-

Kemmelberg, Gent-Wevelgem 8 april 1998
Die dag splijt de renner zoals nooit voorheen
met een demarrage de Kemmelberg in twee,
een moderne Mozes die op weg naar Wevelgem en
het Beloofde Land de Rode Zee doet wijken.
Ik kijk toe, beef en bewonder, de rechtopstaande haren.

De soldaten van de Grote Oorlog kijken
hun gestolde ogen uit op zoveel souplesse en geweld,
de renner glanst in zijn getaand en gevleugeld vel,
de kasseien masseren zijn dijen, de kuiten dansen
hun dodende cadans, tegenstrevers tuimelen
als aangeschoten wild op de grond waarin soldaten
voor eeuwig rusten en 's nachts in koor kermen
om wat ze zijn verloren: hun bloed, een bed, een vrouw.

De witstenen engel op de top zwaait hen lof toe
zoals hij dat al zo lang doet voor de Franse poilus
die in hun massagraf uit meer dan 5000 weggerotte kelen
de reutel van vier lange jaren oorlog ophoesten.
De sierlijke renner die vergeet mens te zijn rijdt
voorbij en zweeft, zweeft............

-III-

Liège-Bastogne-Liège 1999
La Doyenne kreunt onder haar rijke geschiedenis
met hellingen die als dolle honden in de rennerskuiten bijten,
in Bastogne is de adem van von Rundstedt nooit ver weg,
in de sneeuw tekent hij soldaten die met een laatste danse macabre
hun dolle Fûhrer nog één keer doen huppelen en lachen,
een groot kind met bloed aan de duivelshanden.

La Redoute, gerenommeerd om zoveel venijn
dat uit het zwart asfalt en bars beton zijn weg vindt
naar de moe gevochten benen, de geknakte koppen.
Heel even denkt Michele Bartoli aartsengel te zijn
maar verslikt zich dan plots in een overdaad
aan tegenspartelende kamwielen,
zijn trots stort stuiterend te pletter
tegen die andere maar zegezekere engel
die met kalk tot god werd gebombardeerd,
het witte werk van supporters die door het dolle heen
hun klassiekers en Ikaros niet kennen.

Frank kromt de rug, strekt de vleugels en
wiegt naar Saint Nicolas die evenwel vergeet
dat hij in Luik een aardse helling is die lekkers
naar de winnaar gooit.
Wie stout is krijgt de roe.

-IV-

Sarah in Avila, Vuelta 1999
Sarah ziet hoe een opzichtig geblondeerde snaak
in Cofidistrui langs de kantelen van de stadsmuren flitst,
op de 87 torens blazen herauten de vergankelijke roem
naar een ongekende hoogte, reporters schreeuwen in extase,
Frank kijkt om en weet dat hij het paradijs betreden zal,
zijn ultiem verhaal van duizend en één nacht.
De Italiaanse schone blikt beschaamd, prinses Diana gelijk,
haar decolleté evenwel verraadt een grage afgrond.

Het volk huilt zoals in het Colosseum,
opgehitste stemmen ratelen de zwoele lucht aan flarden,
een drinkbus biedt slechts kort en mierzoet soelaas.
Die avond voelen de borsten van de mooie jonge vrouw
hoe zacht de handen van de winnaar kunnen zijn en
hoe triomfantelijk de doorbloede roes van zijn lichaam,
in de verte naderen de in lila gehulde Eros en Thanatos,
een heilig verbond, triomf van de vergankelijkheid.

 -V-

Zaffelare of all places, 22 januari 2008
Renners zijn voorbijflitsende sandwichmen, samen geklutst
in een mengkroes van ratelende derailleurs en massageolie,
je ziet ze en ze verdwijnen meteen daarna uit het zicht,
zo ook Frank, de snelle dolle jongen
met zijn aureool van duivels sacraal koersen,
a man for all seasons met beperkte houdbaarheid.

Het is winter en Zaffelare ligt duister en nat
rond zijn spitse kerk naar adem te happen,
Holland en Zeeland zijn dichtbij en
weten niet van dit Belgisch spektakelstuk.
Die avond verstopt Christus zich in het tabernakel en
ziet hoe een nieuwe jonge god waarop al sleet zit
in maagdelijk witte Mitsubishi-trui alle aandacht
naar zich toetrekt. Zo ook die van mij,
gek als ik ben van de koers en haar zondaars.

Frank heerst wankel en nerveus in het sjiek kasteel waar
zijn nieuwe ploeg met veel hoempapa wordt voorgesteld,
hij draaft driftig heen en weer voor hij op de bühne moet.
Ik zeg dat ik 'poète' ben en hij 'Ah bon',
we praten over de koetjes en kalfjes die zeer zeker
in het nieuwe seizoen zullen geboren worden,
ik neem hem bij de linker schouder en we staren
in de lens die deze momentopname  in leven houden zal.
Dat seizoen werd het nog maar eens niets,
er blijft alleen die foto waarin de hoop verpakt zit
van iets dat niet zou komen, dode relikwie. 

-VI-

Senegal, 12 oktober 2009
De man met de zeis koerste al altijd aan zijn zij,
een tandem van de dood, een ravijn en diepzee
vol onpeilbaarheid en  gedrogeerde monsters.
Het duister Afrika met zijn heet en glanzend vel
dat aan een zwarte zon en schoenblink denken doet
zit als een slangenhuid gekneld om mooie vrouwen:
hier ligt de eindmeet van de laatste wedstrijd,
hier snuift Frank zoals een hengst een laatste maal
zijn longen vol. Dan valt het plafond, vat de nacht vuur.

Seynabou Diop, een exotische vrouwennaam die klauwend
in de overleden rug van Frank staat getatoeëerd,
deze verre vrouw voor een close avontuur,
haar roze lippen in een gezicht van warme steenkool.
Haar dijen en borsten dwingen de renner tot zijn laatste klim,
de Venusheuvel als een Ventoux van vernieling,
een Galibier die gal spuwt en zich daarna afsluit
voor duizend vragen: waar is het diamantje in zijn linkeroor,
heeft hij nog gesmeekt om moeder aan zijn zij ?

-VII-

Ploegsteert, het graf, de ouders, nu
Het dorp ademt de Bucolica van Vergilius,
een eenzaam schaap blaat de morgen open,
hier werd Winston Churchill in de Grote Oorlog
bevelhebber van de Royal Scots Fusiliers en
toonde hij daarna met oer-Brits flegma zijn moed.
In de witte schaduw van het Memorial wordt aan
11000 Britse soldaten een onbekend graf geschonken.

Frank rust er in zijn druk bezochte tombe,
alom de koude kitsch van drinkbussen.
Stil hoort hij hoe Wannes Cappelle hem bezingt
met warme woorden die de keel dichtknijpen,
ziet hij Baudelaire passeren met zijn Fleurs du mal
die zijn omgevormd tot een zegeruiker zwarte rozen.
In het stilgevallen huis treuren Chantal en Jean Jacques
om wat in flarden overblijft van hun gevallen zoon,
zij zijn het treurend ouderpaar van de wielerwereld,
hun verdriet is als dat van Käthe Kolwitz in Vladslo,
de tranen voor dode kinderen kennen geen grens, geen land.

Ik sluit de ouders in mijn warmste armen en zeg:
'Koester Frank tot hij zijn graf ontvlucht,
gun hem dan de warmte van een bed en
laat hem rusten, rusten
.'


Willie Verhegghe

Et tu, Brute

of het verraad en de hypocrisie rond Lance Armstrong

" He won seven Tours de France and, as far as I 'm concerned, he 's still the rightful winner. I don 't understand what they are doing to him now because all the rest were the same. He brought more positive things to the sport than negative.  I still think it 's a case of  'If you test positive, you test positive'. But if you don 't, I don 't want to hear about it 10 years later. Come on....that 's ridiculous !".
Hendrik Redant in Procycling, november 2012


1/ INTROÏTUS

Ik zie het nog haarscherp, Fiorenzo Magni
die anno 1951 door mijn geboortedorp stormt,
een Ronde van Vlaanderen met ijskoude regen
en een kalende Italiaan die zoals Julius Caesar
- maar dan ruim na Christus -
zegevierend door het land der Belgen koerst.
Wat later in dezelfde grauwe jaren vijftig
mijn Brabantse grootvader Jan-Baptist zaliger,
ooit bijna door de moffen geëxecuteerd
- Luger-revolver tegen de koppige kop -
omdat hij in het werkkamp een stoute mond opzette
en opkwam voor de zwakken in zijn barak.
Maar anders o zo zacht, die warme grootvader,
hij weende zelfs toen een Belg een Tourrit won en
de namen van Ockers, Van Steenbergen of  De Bruyne
met tremolo's uit de bakelieten radio kwamen gerold.
Ik was klein en dacht dat tranen en treurnis
bij de koers hoorden. En bij een overwinning.
Ik volgde grootvader. En weende ook.

2/ DE PIJLEN VAN AMOR

Liefde voor de koers bestaat, leeft in de aders,
maakt dat je nieuwe agenda meteen vol staat
met zeer belangrijke datums, koersdata.
De glanzende frames, de geur van massageolie,
het zalig tikken van ketting en derailleur.
En de renners zelf natuurlijk: de  sterke koppen,
het geronnen bloed op hun ellebogen en knieën,
het zweet dat door de verschroeiende zon
als inkt in hun armen en benen wordt geëtst,
de kou die hun ogen ongenadig dicht duwt.
Nooit wou of wil ik die liefde verliezen
of ze ontrouw inruilen voor een realiteit
die niet aan mij is besteed: combines en doping,
ik kende ze, wist dat ze woekerden als distels.
Maar liefde stort in als een kaartenhuisje
wanneer je te veel naar gebreken kijkt.
Ik gun mezelf  koers als ouderwetse romantiek
en laat het koerskaartenhuisje staan,
weet me gewiegd tussen worstenhelmen
en de verdovende geur van versgelijmde tubes.
Keats nog voor de vélocipède op een koersfiets.

3/KANKER I  - MIGUEL

Hij was net als ik gek van de koers en amper zes
toen hij op zijn blauw fietsje samen met mij zwierig
als een zwaluw de helling van ons dorp opfietste:
de Pollareberg, maximale stijging 10%.
Zijn pezige beentjes, het onmiskenbaar karakter
in de kwieke ogen van zijn kinderkopje.
Miguel, mijn kleine aartsengel van wie toen
hij pas negen was kanker de vleugels knipte.
Wanneer hij, één jaar later, als een Auschwitz-kind
aan tumoren en het gif van Zyklon B-chemo
ten onder ging, had zijn idool Bernard Hinault
in Roubaix met panache de helleklassieker gewonnen.
Bernard in de hemel, Miguel naar het inferno.

4/KANKER II - LANCE

De littekens op zijn kale kop, de dood die
in zijn doffe ogen stond, de pijn en grauwe kleuren,
zijn regenboogtrui uitgerafeld in grijze stroken:
Lance ziet zijn familienaam verkracht, ontkracht.
Ik lees en zie zijn Golgotha, leef met hem mee,
weet dat zijn lichaam met scalpels werd doorkerfd:
Miguel keert sterk terug in deze gevelde krijger.
De grote Merckx vliegt als steun naar Austin,
het bekakte Cofidis zet Armstrong aan de deur,
een kille liquidatie op de kap van kanker:
solidarité à la Française, n' est ce pas,
de pot op met égalité en fraternité.

5/ INTERMEZZO

Het Pantheon der grote kampioenen, met Coppi,
Anquetil en de o zo mooie mens Briek Schotte,
om een paar gouden namen te noemen.
Ze schitteren als sterren aan een heldere hemel,
staan op het podium van de eeuwige roem.
Hun bloed kan niet meer worden getest,
voor hen geen misplaatst tribunaal van Nürnberg,
hun hoofden rusten in witte satijnen kussens,
zij slapen de verdiende slaap der gelukzaligen.
Of moeten wij hun rust overhoop halen,
hun graf en kisten respectloos openbreken,
hun palmares als ordinair papier versnipperen ?
En wie is gebaat bij het herschrijven van geschiedenis ?

6/ RENAISSANCE 1999

De Texaan is als een feniks uit de dood verrezen,
de kranten koppen eindeloos zijn naam,
vanuit het zomers la douce France
gaan foto's van hem wild de wereld rond,
het geel van zijn trui wordt glanzend goud.
Voor de start van een Pyreneeënrit sta ik
met mijn Canon pal voor hem, zalige sluiterklik.
The Boss straalt. Ik druk hem de hand, meer niet,
de herboren champ flitst als een ster van me weg,
daarna adelaar hoog in de staalblauwe lucht.
De pers put zich uit in eindeloze laudatio's.
Hier en daar al een adder onder het gras.

7/ LAST TANGO IN PARIS

Morzine, Franse Alpen, 11 juni 2005:
mijn Broken English hinkt Faithfull achterna
wanneer ik toch wat nerveus met Lance praat
in een hotel dat naar versgezaagd hout ruikt en
naar het zweet van de Dauphiné Libéré.
Hij grapt, neen, spot met Sheryl en Johan
die onopvallend in dezelfde kamer zijn maar
hij wordt plots heel erg stil wanneer Miguel en
 zijn lijden over mijn aarzelende lippen komen.
Weg branie, weg stoute luide stem.
We pakken mekaar bij de schouder,
Guy, mijn fietsmaat, neemt met trillende handen
een foto. Die mislukt, zo blijkt achteraf.
Maar Johan springt fotografisch in de dans.
En met succes, nu gestolde herinnering.
Een paar weken daarna in Parijs de laatste triomf,
met een pers die al voor een deel haar jas heeft gekeerd:
geen unisono bewonderende woorden meer,
de te hoge boom vangt te veel wind,
Lance was te veel Boss met het sterke hart
op de stoute tong, soms zelfs klein klootzakje
die door niets of niemand klein te krijgen was.
Of toch voorlopig niet.

8/ COL DE JOUX PLANE

The day after, 12  juni 2005, vroeg uit bed want
l' Alpe d' Huez en Galibier wachten  op mijn oude knoken.
In ochtendnevel en mist verlaat ik het slapende Morzine,
het skidorp droomt zijn sneeuwloze dagen bloot
als ik de col de Joux Plane naar beneden rijd,
een afdaling hors categorie op de nuchtere maag.
In een bocht plots een verdwaalde en klimmende kopie
van de eenzame fietser van Boudewijn De Groot,
ik herken de man van wie ik een paar uur eerder
de stalen Texaanse schouders heb gevoeld.
Hij kijkt niet op, duwt de col en danseuse en met
een hoogritmisch soepele pedaaltred van zich af,
hij wil en zal er staan, in de naderende Tour.
Ikzelf  sta sprakeloos bij zoveel eenzaam labeur.
En denk aan zijn stil en anoniem gezwoeg
op desolate en verhitte Amerikanse cols om
na chemo en scalpel terug te keren aan de top.
Een eenzaam weeskind op een bergflank.
In Morzine, Hotel Le Crêt, slapen zijn ploegmaats.
Nog.

9/ LUGANO

Tour de Suisse, juni 2010, het Meer van Lugano.
Aan dat glashelder maar koud rijkemensenwater
kijk ik met gelegenheidsploegmaat Mart naar Lance
die zich opwarmt in rood RadioShack-shirt.
Noordelijke bewondering door mannen van het woord.
Straks volgt zijn laatste Tour van val en verval.
Ver weg, over de Grote Plas, brengen beulen
met koude blik de elektrische stoel in gereedheid,
een Franse guillotine wordt in reserve gehouden,
de hamburgerdikke Lemond kijkt lachend toe,
die koerste in zijn tijd uiteraard  zuiver als bronwater,
anders win je geen drie keer de loodzware Tour.
In schijnbaar dopingloze tijden.
Ook Lance liep nooit tegen de lamp.
Of ze hebben hem op zijn minst nooit betrapt.
Armstrong 7- Lemond 3 dus.
Deze laatste met jagerslood in het lijf, dat wel.
Om de hoek loert de testosteronstijve Fluit Landis,
een godsdienstfanaat en leugenaar pur sang.

10/ THE FINAL COUNTDOWN

Herfst 2012, het USADA als Groot-Inquisiteur,
the divided and United  States of America
verminken graag en veelvuldig hun helden.
Het hoogverraad van de gewezen ploegmaats,
van die omvang nooit gezien in de sportwereld  :
'Et tu, Brute', Lance gebruikt de woorden van Caesar
en voelt de dolken in zijn rug. Revival van een kanker
die geen schaamte, grenzen of scrupules kent.
In de Tour zit ik in Toulouse aan het ontbijt
met George Hincapie, tristesse in zijn ogen,
ook hij praatte Lance aan de galg maar verklaart
in één adem dat hij een groot kampioen is en blijft.
Slaan en zalven in de mond van 'n halve Indiaan,
spijtoptant die zijn eigen verraad veracht.
Kranten en luidsprekers spuwen uitsluitend gif,
journalisten rekenen ongenadig af.
Want: Sie haben es natürlich nicht gewusst,
de struisvogelpolitiek is plots onbestaande of vergeten.
De angelieke mevrouw Andreu zegt dat Lance
een duivel is, zuivere zieltjes, hypocrisie en
loepzuivere wraak vieren alom hoogtij.
Ik, groot zondaar, werp de laatste steen.
Dus geen. Er is gewoon geen laatste steen.

11/ EPILOOG

Brandstapels, galgen, guillotines, elektrische stoelen,
vuurpelotons, radbrakend tuig en gifspuiten :
alles is goed om een wereldse god klein te krijgen.
Maar de god doet vooralsnog alsof zijn neus bloedt,
ligt languit en uitdagend op de sofa, keurig omringd
door zeven met zweet en bloed verdiende truien.
Tegen de kou. Winter in zijn hoofd, ijs op de lippen,
de benen door schorsing en verbod verlamd,
zelfs Livestrong, zijn kankerhelend kind,
heeft hem met zachte hand aan de deur gezet,
wereldwijd treuren miljoenen radeloze patiënten
die hun voorbeeld evenwel niet laten vallen.
Trouw tot de dood hen scheidt en weer verenigt.
Ik draag fier en voor altijd geel om de pols.
Pillen, spuiten, baxters, pleisters,het wonder epo,
tot zelfs een mysterieuze motorman:
ze waren er, zijn er, zullen er altijd zijn.
En voor ik het vergeet en last but no least:
zoals ieder normaal mens ben ik tegen doping.
Maar nog meer tegen hypocriete kloten.
Als Pantani maar geen tweede keer sterft.


Willie Verhegghe

Keienkoersen

dat wielen over keien dokkeren
je kent het geluid van eigen banden
elke keer door een gleuf op de rand

van evenwicht je verliest of wint
per seconde wel honderd keer

maar de echte knoesten duiken kunstig
op de groeven van de weg met snelheid
lef en ware doodsverachting

de duivels van de kasseien tekenen
hun harde stenen dijen kronkelend
subliem in stijl onbeheersbare hartstocht

in een altijd gespierd wezen met aanslag
op de polsen of gebroken sleutelbeen
maar blijven bonken naar die eindstreep is

de maat van alle dingen


Kees van Meel

Cursus Flandriae

Ronde van Vlaanderen

Het is de renners in de bol geslagen
om nooit, in rot na rot door weer en wind,
de horigen van het gebroken lint,
om kinderkop of tegenwind te klagen. 

De storm stuift op vanachter meidoornhagen
en scherpe hagel vindt de weekste prooi
en in dit snertweer van het laagst allooi 
moet men ten dode toe het leven wagen. 

De Berendries, verketterd en vervloekt,
duikt bonkig op en alle ruggen rekken; 
tot in de holte van het lijf gehoekt 

vermannen zich de doorgedraaide gekken. 
De lauwerkrans - voor wie de zege boekt –
zal ziel en lijf tot eer en weelde strekken.


Frans Hoppenbrouwers

Kemmelberg

Om de droom tot daad te klaren
spanden we de kuiten en gingen die dag
het vertrouwde vlakke land en onze krachten
te buiten. Om op een blauwe Bertin-fiets
de hemel te bestormen.

Tussen droom en daad
lag de Kemmelberg, die uitpuilende
steenpuist, ver weg aan de horizon.
We waren veertien en overmoedig, maar
zonder twijfel op weg naar het hoogst bereikbare.

Na de daad droomden we
van Tourmalet en Peyresourde, weliswaar
al wat ijl in het hoofd. En dus verdoofd en loom,
van het teveel aan lood in de benen
voor de lange weg terug naar huis.


Patrick Cornillie

De knecht

Hij pompte met zijn knechtenhart
de kilometers onder zijn wielen weg
dubbele klei knotste zijn knieën

de Vuurbal uit De Fendert stampend
en wroetend geen sprint in de kuiten
geen bergrit ook dan buiten de limiet

waar de teller voor broer een ogenblik
stil stond deed de zijne dat niet

was hij telkens locomotief in het peloton
met soms wat slagroom op zijn brood

gespoten


Kees van Meel

Kleine ode aan Sanne

meisjesachtig nog haar aangezicht
bijna verlegen om haar kracht
die komt uit onderrug en dijen
en niets heeft van een man

een karaktervrouwtje dat doorzet
geen tegenslag brengt haar van slag
en slim zoals ze bij een fietswissel
geen seconde verliest

technisch een crack: zelden
schuift ze uit of mist een bocht:
zij wordt het voorbeeld
dat het volkje zocht

het lijkt erop of de eindmeet
haar aanzuigt ondanks de blubber
en het klimmen en dan het podium
waarop ze als een kind staat te glimmen


Staf de Wilde

Ode aan de winter van Jan Ullrich

Ach, hoe fijn lijkt het mij
Om na een jaar van zwoegen
Fiets weg en vrouw erbij
Een vet wild zwijn te proeven


Martijn Veltkamp

De Ronde van Vlaanderen in Meerbeke

-denkend aan Edgard de Caluwé, winnaar in 1938
(°Denderwindeke/Ninove 1913-+Geraardsbergen 1985)-

Wit en waakzaam wacht de eindmeet op
wat komen gaat: een eeuwenoud spektakel
dat aan Rome en zijn Colosseum denken doet,
de gladiatoren van de weg in hippe kleuren,
een bruisend sculptuur van keizerskoppen
getooid met in de strijd gedeukte helmen.

Hier slaat de winnaar als een albatros
zijn vleugels uit, hier heerst de daver
van de dag waarop stad en dorp nederig
de hoge hoofden van hun torens buigen
voor wat getaande mannen met hun dijen
tot een feest van kracht en spieren maken.

En het volk: het kijkt gespannen toe
en schreeuwt de namen van zijn goden.
De glans der fietsen meet zich met de zon,
zweet spat op het ruw asfalt uiteen en
uit een woud van wielen schiet hij die
triomfeert en voor eeuwig roem verwerft.



De aankomstlijn van de internationaal gereputeerde wielerklassieker 'De Ronde van Vlaanderen' lag tussen 1973 en 2011 in de schaduw van de prachtig gerestaureerde Sint Pieters- en Berlindiskerk op de Halsesteenweg in Meerbeke.

Richard Bukacki

Bij de profs won hij in Opstal,
Melle, Laarne, Knesselare en meer
van die fraaie dorpen,

op de erelijsten van Gullegem
Koerse, de GP Raf Jonckheere
en de Memorial Fred De Bruyne
staat hij te pronken

tussen Marcel Kint, Rik van Looy,
Gilbert Desmet, Franco Bitossi,
Peter van Petegem, Philippe Gilbert
en Greg van Avermaet:

geef hem kermis, geef hem koers
en Bukacki wint de sprint
tegen Sels, van Linden, Karstens
en de Planckaert-broers


Miel Vanstreels

De dichter dicht door

Op weg door het bos vol doornen,
rijdend langs het ravijn van de stille dood,
heeft de renner opnieuw een bocht gemist,
is hij verdwenen in een diepe kloof
waaruit niemand hem ooit heeft opgevist.

Ze hebben hem gevonden op het bed
van een hotel, in een vreemd land,
achtergelaten door een vrouw voor even
die zijn wielerleven voorgoedf heeft
uitgewist met zijn toekomst in haar hand.

Maar de bron van de dichter staat nooit
droog, zolang hij kan dichten over levende
legendes die sterven in vergankelijkheid
en over naamloze knechten die hij laat
opstaan uit violente dood en blijven
leven zo lang de dichter wordt gelezen.

Harmen Malderik

St Pieters-Lille, 15 maart 1971

(over wijlen Jempi Monseré)

Omdat je dacht dat het leven een succesverhaal was.
In korte broek nog, dwepend met een lachende engel
die in Leicester zegevierend over de streep reed.
Een bengel, zo sierlijk en zo soepel, een god op de fiets. 

Omdat je, in een roes van devotie en emotie, geloofde
in een onsterfelijke kampioen die won en won en won.
Tot je, niet eens zeven maanden later, de foto zag
in de krant. Een renner in regenboogtrui, koud

op het koude beton. En je plots besefte: na dit alles
volgt nooit nog iets. Blijft dood onherroepelijk dood.
Languit en vleugellam, een streepje bloed langs de wang.
Nooit kleurde een zwart-witfoto zo rood.


Patrick Cornillie

Demasqué

de dagen harden uit als gietsels
in een mal van toen je nog droomde
over de maan op de Mont Ventoux 
de koers naar het hoogste ideaal

en nu
driehoog ingemetseld tussen kale muren 

˂ze gaan voor zaaien van steen tuintegeltaks heffen˃

je zwijgt
wie zal beslissen hoe ze de oogst gaan tellen?

˂ze willen de rammelborden terug, de luxaflex
van de vertraging en het wegklepperen
van de zojuist vertrokken trein˃

je zwijgt
wie zal beslissen wie gaat wat bedienen?  

buiten elke schijnwerper ben je, te licht bevonden  
terwijl andere machtigen zichzelf verzwaren in brons 
je ziet beneden een man op het dode paard,
rug recht, fier in een pose die jij niet volhoudt

je zwijgt
wie bepaalt eigenlijk hoe hoog een voetstuk wordt?

je ruikt bloed, je proeft
het ravijn, de moraal om uit het raam te springen
alsnog op weg naar de Ventoux
maar toch

het is de week van het tandeloos verzet


Bert Struyvé

Tom Dumoulin en Mathieu Van der Poel

De een davert over geasfalteerde wegen naar records
trekt een serieus smoel gaat door rijen fanatiekelingen
wordt kampioen voor een miljoen en sporter van het jaar
hij grijnst en gromt soms naar de massa maar behoudt humeur

de ander duwt de bossen uiteen sleurt daar modder mee
zijn shirt lijkt op kalvermest uiteen gespatte aarde
derailleurs naar de klote en zand tussen tandwielen
hij knarst en knerpt de woorden als losse kiezels rond

samen vallen ze - twee kampioenen op vier bandjes
slijk of zand beton of gravel teer of keien - altijd op
ze malen hun machtige dijen rond hun eigen middelpunt

achter hun kont is het niet goed toeven voor de rest
hun zichtlijn wordt beperkt door deze helden
waar het volk dweept en dwaast rond hun idool

een val meer of minder een onverwachte stop of knie
geeft even schrik en verder maar weer kilometers maken
voor eeuwig vastgelegd als relikwie voor later

de een mooi in modder onderweg de ander prettig in pak geëerd
leven beiden in hun eigen wieleruniversum voort


Kees van Meel

Kleine ballade

Mensen die fietsen
alsof ze langzaam sterven.
Achter zulke mensen fietsen
in een smalle of drukke straat.
Het lukt je niet ze in te halen.
Je ziet hun achterste.
Wat een gedoe, denk je,
ze sterven.


Jan Glas

Opvolging verzekerd

- voor Vic, Ferre en Arthur -

Kleinzonen blijven niet klein,
je ziet ze groeien als kool, ze zitten je speels
op de steeds tragere hielen en rijden je
met panache en jeugdige grinta uit de wielen.

Zoals dat bij de meeste jongens het geval is
gaat de voorkeur eerst uit naar voetballen en
komt de liefde voor de fiets pas later.

Maar eens de derailleur in de prille kopjes
zijn verslavend tikkend werk doet kan het rijden
met een heuse koersfiets niet meer stuk en
vormen afstanden of het tegen hellingen opspurten
geen probleem meer, wordt zelfs de outfit
van blitse brillen en kleurrijke truitjes
met smaak en een eigentijdse look verzorgd.

Zo kijk ik nu naar de drie jongens die ooit
wellicht nostalgisch zullen denken aan hun opa
die zot was van de koers en van wie ze hopen dat hij
nog ergens in de wolken zalig aan het fietsen is.


Willie Verhegghe

Dolomieten

We fietsen door de Dolomieten.
Samen ….., zij en ik.
Sella, Pordoi, Campolongo.

Thuis zijn de buitenkleuren
gewassen in een schep wit.
Hier zijn de wilgenroosjes bloedrood,
de koekoeksbloemen deep purple.
De heksen vliegen hier
op 't blauwste blauw
van de monnikskap.

De lucht is dun.
Zij flirt met de wind,
de sinus van de berg
en de liefde van de aarde.
Ik trek mijn fiets uit elkaar
en mijmer tandjes.
Tandjes des tijds.


Harry Oonk

Overwinteren

nu de herfst
van de fiets valt
het haar de ruimte
krijgt te krullen
valt alles
op de juiste plek

de laatste renner
die over de heuvels trekt
de allerlaatste die remt
nog voor vertrek

de sensatie van meeuwen
die op het vlakke krijsen
met duikende waaiers
op de kant gezet

vlagen storm stapelen blad 
sporen modder stagneren
mist kent niet elke weg

naar onzichtbare verten
naar vergrijsde reflectie
de tijd die tot rust maant

dan dooft de zomer
zoekt een wielewaal
de overdracht
voor een warme vlucht


Bert Struyvé

Mario Aerts, Lotto

“Zesmaal gegokt, zesmaal
verloren. De gezegende omstandigheden
van de winnaar, die onthoudt men allemaal.
Jaja, ik ben toch tevreden.

Men zegt dat ik charmeer, want
ik trap rond zoals een lottobal; in
mijn dromen is het dat ik vierkant
maal, maar vele malen win.

Daar en dan eet ik mijn pasta op en sla
mijn tegenstanders murw. En tel goddank,
terwijl ik door de pijngrens ga,
als SuperMario, de nullen op mijn bank.

Nee, ik rijd me niet graag het snot
voor de ogen. Ik speculeer
op goed geluk. Dat is mijn lot.
Ik gok, ik val er liever niet bij neer...”


Frank Pollet

Gebypasst

(Oei)

Ik moet een toontje
lager fietsen – heuvelop
knijpt er iets om lucht

(In staat van geluk)

Gedotterd en wel
terug in het heuvelland –
vrolijk pompend hart

(Op herhaling)

Opnieuw een kransader
van slag – ik meld 't knellen
met pijn in het hart

(Gerepareerd)

Omgeleid geluk –
met een bypassend verhaal
weer de heuvels in

(Col d'Allos)

In een zielstrelend
decor klim ik gebypasst
rustig naar de top


California dreamin'

L.A., 20 mei 2012 | ronde van Californië

Mien Zabriskie punten vast 'eholden.
Mount Baldy, miek mien peute baldaodeg;
ònder de top demarreren.
David, Tejay 'k zal ze leren!
't Gif 'n supergevuul, ..

Ik bun d'r nog neet helemaols klaor met
Maor toch, ...
'tWerd jao ok haost tied um te winnen.

Van 'on such a winter's day'
töt 'on a winners day'.


Gevonden op een kladje
somewhere in L.A.
Toegedicht aan Robert Gesink.


Er is maar één Keizer

dat u zo weelderig in mij
aanwezig bent: wij lazen
thuis het Frut, op de talloze
sportbladzijden bijna dagelijks
uw heldendaden en zo werd u
mijn Grote Leider

ik was een kind en maakte het mee
hoe een jongen uit Grobbendonk
die kranten bezorgde over kasseien
Keizer werd in Herentals

en ja, later kwam de Kannibaal
met meer fond dan u ooit bezeten had
maar mijn devies stond al vast:
een Grote moet ook kunnen verliezen

ik las over uw vermetelheid,
getuige Labieke Sorgeloos:
‘het kriebelt in mijn benen,
ik moet weg uit het peloton’

en u sprong en zelfs wanneer u
werd bijgehaald, hoorde ik de bronzen
gong bij de aankomst van een Keizer –
men zei: hij schept graag op, maar ik vond
de anderen lijzig, al wie bleef in het wiel

daarom zal ik als een puber belijden
dit ongewoon geloof: die jongen
uit het dorpje Grobbendonk
werd mijn gedroomde Keizer

hij won en ik was een winnaar
hij viel en ik telde mijn wonden:
u blijft voor mij wonderbaar,
een voorbeeld naar ons uitgezonden


Staf de Wilde

Held van de dag

Het stille lijden van de vluchter kruipt
kronkelend door dromerige dorpen,
strekt zich druipend uit over natte weiden
en gluiperig asfalt naar de valse einder.

De weg vangt de lange adem van de renner
die tweehonderd kilometer lang mag wennen
aan zijn onvermijdelijke nederlaag -
het in zijn hoogmoed zelf gegraven graf.

Want daar verschijnt het computergestuurde
schuim op de bek van de gretige wolf die
hem in gestrekte draf nadert om hem levend
te verslinden - nee, nooit mag hij winnen.

Hij heeft zijn rol van verre vluchter,
verdronken in het genadeloze rekengeweld,
al zo vaak gespeeld dat hij zich niet eens
realiseert méér dan een tragische held te zijn.


Harmen Malderik

Colla della Stelvio

Mooie klim.
Mooie naam ook.
96 winkelhaken
48 beroemde bochten
16 paperclips.
Wat is het verzet?
Aah, te steil voor sommen.
Hersenen maken hier snot,
geen uitkomsten.
Het denken dooft.
Gedachten komen binnen
zonder kloppen.

Zij en ik,
we fietsen samen.

Zij zingt met de vogels.
Zij flirt met de geuren
en kleuren van de bergen.
De aarde bemint haar.
Haar lucht verdunt.
Zij speelt met de wind,
ik echter,
met de dood.


Harry Oonk

De renner

Zoals telkens opnieuw de renner sterft,
zo kan niemand sterven. Geknecht, geklit
tegen een verhitte bergwand lijdt hij, zwerft
nietsontziend zijn nietig en schriel silhouet.

Ook door vlakke landschappen ziet men hem rijden,
naar onbereikbare verre einders waarin hij opgaat.
En die als een film langs hem heen glijden:
nijdig de ongebreidelde kracht van zijn ultieme daad

tekenend of tollend omheen de ontregelde cadans
van zijn benen. Helemaal murw is hij vaak niet meer
dan het verlengde van zichzelf. En ziet hij keer

op keer af van dit aardse bestaan. Maar dan zo gedreven
dat het lijkt alsof doodgaan zijn laatste kans
is. Een dans omheen de leegte van het volle leven.


Patrick Cornillie

St-Raphaël, apéritif de France

(Jacques Anquetil indachtig)

Als tegen de onverbiddelijke tijd wordt gefietst
denk ik altijd weemoedig aan de limousine
van deze specialiteit, Jacques Anquetil,
monsieur chrono, Normandiër en seigneur,
nooit zat iemand stijlvoller op de fiets.

Tijdens de Tour drink ik om hem te gedenken
elke zonnebloemgele dag in pure retrostijl
mijn glaasje St-Raphaël, maître Jacques koerste ooit
met de naam van deze bloedrode drank op de trui.
Al paste zijn nobele standing beslist beter
bij champagnebubbels of een dure wijn.

‘St-Raphaël, apéritif de France depuis 1830,
recette du docteur Juppet’, eigenlijk ‘n drankje
voor vrouwen op leeftijd met kilo’s mascara
en opzichtige halssnoeren als rimpelcamouflage.
Of de dichter een Tour lang vermomd als oude vrijster.


Willie Verhegghe

Soigneur

(voor Dirk Nachtergaele)

Al zowat zijn hele halve leven staat hij
bij de aankomst renners op te wachten,
trekt ze over de streep en droge truien aan.
Later gaan ze vermoeid en uitgewoond
languit voor hem neer en uit de kleren.

Hij kneedt en knijpt, pakt hun lichaam
als een kunstwerk uit. Aderwerk, gebeiteld
op de benen. Masseren, zegt hij, is kijken
met je handen. Van spieren lees je af
wat geen stem kan zeggen. Hij knipoogt

en maakt zich sterk dat hij straks
een ander wordt. Soigneur wordt seigneur,
meegestuurd in de ontsnapping van de dag,

in de vroege vlucht vooruit van het gedicht
dat hem na al die tijd als in een tweet
van niks weet op te schrijven.


Paul Rigolle

El Angliru 1998

Aan een dun touw snokt Pavel Tonkov
zich omhoog, langs de afgrond van het ravijn
door een haag van mist en miezerregen
onder een grijze lucht die tegen het asfalt drukt.

Zijn shirt kleeft aan mijn rug. Ik proef de zure smaak
van braaksel. Mijn benen zijn als lood. Mijn slapen
staan op springen. Schimmen aan de muur.
Monden schreeuwen taal die geen houvast biedt.

Beneden mij loert het gevaar. Hoe ik ook vloek
en bid of liedjes zing, bij iedere trap trek ik
het aan, bij elke ruk aan het stuur. Ik die weet
van tijd noch uur, knijp de lippen op elkaar.

Vlak voor de meet duikt hij uit de nevel op,
tikt mij even aan. Geroerd houd ik de trappers
stil. Een stalen stem balkt vanaf een leeg bordes
zijn zoete naam: José Maria Jiménez.


Albert Megens

Wonderbaarlijke wederopstanding

(0ver Annemiek van Vleuten)

een dood vogeltje in de goot opgebaard bijna
in vormloze greppelstand net voor de finish

ze was bijna op de Olympus huis der goden beland
een val sleepte haar naar de oevers van de Styx

maar geen muntjes op haar oogleden gelegd
de geest bleef in haar gekreukeld lijf te gast

meedogenloos gefilmd als weggegooid behang
een deur naar roem te ver vergooid in riool

water stroomde naar haar zee en ze steeg op
wonderbaarlijk in onnavolgbare strijd terug

aan wielerfront met zegekar en bekers roem
een zege bij Hotel de Wereld geen overgave

uit de historie  van de vijand voor haar maar
victorie in optima forma als tempobeul in het vrouwenpeloton


Kees van Meel

Alberto Contador

Boekhouder, bijna moet ik schrijven:
‘jij was’ met nadruk op het einde –
in mijn ogen blijf je een man van eer
die een col beklom als een berggeit,
een springveer en steeds al staande:
hoe hield je zoiets vol?

het temperament is er nog, gelukkig
want zonder jou dommelden we weg:
jij de vechtlust zelve, de aanvalsdrift
in persoon

nu denk ik aan de hoon die jou
te beurt viel bij jouw ‘cero cero cero cinco’
ik zal niet zweren op een bijbel
maar wel op de wetenschap
en die zei dat in die dosis het spul niet werkt

toch hebben de bonzen jou een Giro
en een Tour afgenomen: louter machtsmisbruik,
wraak op de berggems die verblindend mooi
op kon stijgen, jij de gezwinde elegantie

nog probeer je en het lukt niet meer:
je wordt geen punt dat bocht na bocht verdwijnt
El Pistolero heeft één kogel nog
maar onvoldoende om het vol te houden

Boekhouder is jouw naam doch zo reed je
in geen geval en weet je: wij missen jou
nu al, het beeld dat staat op de trappers
en zich verwijdert tot een punt

Staf de Wilde

Mijn kale kop

Drommen fietsers bevrijden zich
uit het klamme bos, in bonte
kleuren jagen ze op mijn kale kop.

Auto's en camara's volgen hen
op weg naar de verwezenlijking
van hun droom bij het ontwaken
voor mijn troon in de wolken.

Petrarca, Kal, zelfs Tim Krabbé
effenden het pad naar mij nog
heel alleen en lieten zich slechts
leiden door de stilte om hen heen.

Dus laat toch die camera van uw
Laura die het licht van uw ogen
langzaam doven ziet zoals eens
Tom Simpson voorgoed zijn ogen
sloot in de maanwoestijn van
zijn heldenmoed.

Laat u liever leiden door
bescheidenheid en kom tot
mij in nederigheid.


Harmen Malderik

Ode aan een Keizer

- leve Rik van Looy –

en zeggen dat hij een roker was
en aardig wat kon stoken: vandaag
moeten de geurigste kruiden in het vat,
je moet hem weer bewieroken

je neuriet een ode aan een Herentalse
Keizer, je hebt er nog wel foto’s van:
je staart ernaar, zoveel ouder
maar niet wijzer

je kent alleen meer woorden
zoals het geleerde ‘symbiose’
en zo was het toen, in jouw afgelegen
oord: jij had hem uitgekozen

omdat hij zijn rug kromde
en bijna in zijn stuur beet
toen de grote Rik van Steenbergen
hem meesleurde naar de meet

later keerden zich de feiten:
nooit meer bleef hij in het wiel;
men kan hem veel verwijten
maar Sturm und Drang had hij
in zijn ziel

en jij in jouw symbiose
jij stormde mee en verloor
en won ook wel maar vaker
ging zijn rijk teloor

grote kampioenen, ga je beweren,
moeten ook verliezers zijn:
in de nederlaag blijven ze heren
ondanks de treurnis en de pijn

een ode aan een Keizer van Herentals,
in Grobbendonk geboren: je weet niet
wat als – wat als hij uit je bestaan
ging verloren


Staf de Wilde

It beest

Uit het kleine Friese Molenend
Kwam een junior met veel talent
Op winnen had hij een abonnement
Hij was eraan gewend en stopte

De fiets werd daarom weggedaan
En ingeruild voor een nieuw bestaan
Vol met roken, zuipen en uitgaan
Waarin hij zich langzaamaan volpropte

Na zeven jaar vond Lieuwe ‘t genoeg
Na werk ging hij trainen en niet naar de kroeg
Al snel koerste Westra weer voor een ploeg
Waar-ie met veel gezwoeg beter ging rijden

In tweeduizend negen werd Lieuwe plots prof
’t Was na drie jaar dat hij zichzelf overtrof
De nuchtere Fries oogstte plots alle lof
Door in Parijs-Nice – hoe tof – mee te strijden

Ut Beest won zelfs een etappe bergop
Stond ook in het klassement in de top
Werd tweede en mocht dus het podium op
Om de Friese fietsfanatici te verblijden

(Lieuwe Westra: prof van 2009 tot 2016)


Daan Sindelka

Spetter

de wei oogt zomers
vei, een mazelbed
van boterbloemen

lucht diep liberaal
met tinten antraciet
een onweer dreigt

plots tussen veld en
einder een lint
van bonte truien

een peloton rupst
naderbij, maar wil
nog niet ontpoppen

’t is wachten wie zijn
kans waagt, het pak
in repen trekt

een koe graast zich
een malse weg
door groen en geel

voorlopig nog
geen spetter,
laat staan
iets te beleven
    
koe en renners
kauwen
nog stilte voor
de storm


Herman Laitem

Buiging

Soepele krachtpatser
Dylan de troonrivaal
Kroonde zichzelf  op
De Champs-Elisées

Dankzij een machtig en
Wereldverbijsterend
Sprintersduel tot
Een monstre sacré

Frits Criens

Croix de fer

En zo gebeurt het dat je op een dag
een man geworden bent die op een fiets
een berg bedwingt. De Col de la Croix-de-Fer 
is de naam. Water stroomt de helling af,
sneeuw glimt in de verte in de zon.

Het landschap beneemt de adem, slijpt zich
in de ogen vast, benevelt je als de gedachte
in een droom. Herauten als Ignolin en Camellini
zijn ons voorgegaan. Coppi en Bartali, ook zij
reden ooit de Barrage de Maison voorbij.

Stuur, asfalt, spieren, oog. Alles afgestemd!
De weg die klimt sloopt wat je voor het laatst
had opgespaard. Het leven hier heeft aan zichzelf
genoeg. Een intens geluk is het om voor eeuwig
en een dag in dit decor een figurant te mogen zijn.


Paul Rigolle

Opwarmen voor de tijdrit

de zee is de waterdrager van het klimaat
verwerkt wattages in vierentwintig zeven

misschien overdrijft het
wanneer het brult als een verwend kind  
dat zich aan elk scherp randje verwondt
zand steelt gronden rondt
en bressen in kastelen slaat

misschien overdrijft de zee
als het de wereld aanzet tot een rondje zon
de zon de dagster die op witte vachten jaagt

de zee die tijd vindt om schuimig
voor een selfie te poseren
zoals het bij de Haagse School al deed

misschien overdrijft het
als het de maan slechts als getijslaaf ziet 

toch weet elke knecht
met vierentwintig zeven kom je er niet 


Bert Struyvé

Jan Janssen

Mijn Vlaamse moeder
was zeer gecharmeerd

van die Hollandse
coureur die zo beschaafd
praten kon,

op de avond
van 21 juli 1968
schreef ze hem
een brief

waarin ze hem
uitgebreid feliciteerde
met het winnen
van de Tour,

het standaard kaartje
waarmee Jan haar
bedankte

heeft tot haar dood
ingelijst
op het dressoir
gestaan,

het was lange tijd
een bron van ergernis
voor al wie
met van Springel
was begaan


Richie Porte

voetballers kermen, vervloeken
de goden bij de geringste fout
renners zijn gesneden
uit een harder hout – zij zeggen
vanuit een ziekenhuisbed:
‘ik heb nog geluk gehad’
en hun bekken is gebroken

we zagen hem plots links in het gras,
dwars over het baantje en tot slot
te pletter tegen een rots – zijn fiets
schoot in de afgrond dankzij
de perfect afgestelde klikpedalen

onbewogen lag hij daar te trots
om luid te janken, niet meer bij machte
een vuist te ballen naar het lot,
naar een god

renners spreken al van een terugkeer
in het peloton, ze vinden het jammer
voor hun ploeg die voorbeeldig werkte
en zie: de leider komt als een vriend
en wenst hem ontzet alle sterkte

een concurrent minder, zou je zeggen,
maar zo zien renners het niet:
zij leven van concurrentie, daarom
toont de leider zijn kameraadschap en verdriet


Staf de Wilde

Als ik val

vlak veur mí-j
'n man of veer
ik d'r aover heer
eig'luk helemaol
neet zo oer
endig hard
met de kónt
op 't asfalt
& 't schut
dwars deur mien
lief, mien rug
kats van 't perceel

às ik val
is 't ok
altied raak

stil liggen =
is nòw mien
biotoop.

maor dan, jao
maor dan éuh

wi-j zeet ons
dan weer in
de vuelta.


Krabbels op bedlaken geschreven, in blauwe inkt met 'n BIC.
Gevonden in wasmand van ziekenhuis te Oyonnax,
toegedicht aan Robert Gesink, 09-07-2017.



Kalm an Calmejane

Veer kilometer veur de meet
krig e 't gat met den makker
net neet dichte

Mien jong mek gin misbruuk van ander
mans kamp met ellende. Kramp in
de bene. Mangs

roek ik, zie ik dat Robert ok
neet zo okselfris meer kan waen!
Calmejane.

Kalm maor an!

Zag i-j dat ok? Hie ontplofte
'n' betjen op de letste glooi
in de finale.

Eigenluk leep e achter de
feiten an. Maor 'n tweede plek
ok lang neet gek

Maa'n nemt e 'n snipperdag


Post-it notities gevonden in keuken van Ria Gesink,
toegedicht aan de moeder van Robert.



De kwak van Sagan

ik zag niet eens een kwajongensstreek:
ja, een ellenboog bewoog naar buiten
en de engte werd te nauw om door te gaan

doch herbekijk de feiten: reeds daarvoor
was er het leunen en plots kwam de reclame
uitgestoken als een gebalde vuist

in elk geval: men heeft in eigen vlees
gesneden, een figuur, een krak wordt
uit koers gezet, iemand die steeds
voor een kijkstuk kan zorgen

het slachtoffer zegt: ‘it’s a crash, you know’,
het is een smak die kan gebeuren
en wat doet een moraalridder dan

hij denkt aan een vermaning of boete
maar of hij uit zal sluiten, is mij een vraag
zeker, die ellenboog bewoog naar buiten
maar die omheining, die engte
was een te nauwe kraag


Staf de Wilde

Ferdi Kübler

Dolle Ferdi reed slingerend
de cols af en moedigde
zichzelf tijdens de koers
luidkeels aan,

misschien schrok Bartali
er in 1950 zodanig van
dat hij na de Pyreneeën
ijlings vertrok,

het gaf
de arend van Adliswil
vleugels van geel,

welke combines hij
op weg naar Parijs
arrangeerde
én of hij zich
aan zijn woord hield
is niet bekend,

Wim van Est wachtte
na een Bordeaux – Parijs
vele jaren tevergeefs:

van de Zwitserse franken
die Ferdi hem beloofde
zag hij geen rooie cent


Miel Vanstreels

Laat Avenue des Champs-Élysées rijpen

ontzie na afloop vergeten waaiers niet
verhef nationale routes met eeuwige roem
zwelg in het zweten van het koren en plak
op elke eenzame muur een zonnebloem

praat vrijuit tegen een digitale fiets
klap voor oude mannen op een bankje
demarreer met de kinderbakfietsen
op wildwaterbanen en rem met mate

rij met een pedelec bike in de spits pijnlijk lek   
trek een sprintje rond kastelen en kathedralen
of jongleer wat met afgebouwde glorie

omarm bier en vette worst
krappe bedden en gemorste hotels
ontwapen het lood van hebbedingen
 
plaats finishdoeken bij graftombes
open de charme van gendarmes en erken
dat een file de kern is van een wielerkaravaan

de Grieken wisten het al lang en breed
niet elke weg
is de verblijfplaats voor gelukzaligen


Bert Struyvé

Joop Zoetemelk

                 voor Thomas D.

Zuinig aan het wiel 
blijven zitten (van
wie zich zo nodig
uit moet sloven)

om later
op kousenvoeten
uit de kopgroep
weg te sluipen:

het leverde Joop
zwijgzaam mooie
zeges op,

de Tour is volgens
hem in bed te
winnen,

je moet je daar
wel als een pater
op de koers
bezinnen


Miel Vanstreels

Gehenna septentrionum

De Hel van het Noorden

De koningsweg van Brussel naar Parijs
die was bedoeld voor lompe boerenkarren
is weer bevolkt met lichtgewielde narren
die vloekend strijden om de koningsprijs.

Op frêle fietsen met te dunne banden
verzoeken ze het nakend ongeluk
en keer op keer gaat er een tube stuk
op kinderkoppen met te scherpe randen.

Nabij Wallers begint het luide schelden,
want iedereen rijdt veel liever op kop
dan in het staartstuk bij de ongestelden.

Daarna dringt zich een droomfinale op
in stof en slijk, waar slechts de wetten gelden
van soepel lijf en uitgeharde kop.


Il vangelo del pianista Haga

                                    voor Chad Haga

Er bestaat geen allerlaatste wielerrit
Er is altijd opnieuw de volgende:
de zucht naar onmogelijke hoogten
een vloek doorheen de diepste dalen

“Nu weet ik wat een aanrijding doet
met de kleur van je urine,” twitterde
ik na een flirt met de grote wielerdoden
Hoe een droom mij heelt na elke klap

Ik herschik mijn definities van Lijden
De dag na mijn vaders laatste ademtocht
vierden mijn broer en ik De Renaissance

van vaders racefiets in een tour de force
We pompten banden, pompten zuurstof
gooiden vaders handen in de lucht
Allegro ma non troppo.


Norbert de Beule

Koersleed

klotsende stenen steken plots schots en scheef 
in de denderende wielen een maalstroom
van gevloek getier het trappend vee valt 

met bloed en kuitenvet bemodderd slijk in oog in oor 
en mond een berg vol dampend vlees enkel
één gesmeerde ketting sleept ratelend door 

een stilte voor de storm striemt alle renners 
in plukjes rijzen roodverbrande koppen op 
de fietsen in gelid of verfrommeld tot schroot

een deel blijft achter grommend de mond vol 
tandenknarsende woorden ploegleiders blaffen
de rest gaat door pompt in nieuwe streken op 

en neer naar de volgende keistroken vol stof
cadanszoekers daveren van links naar rechts
verdwijnen onhaalbaar snel zo aan die einder

de gevallenen zien later oneervol het stadion 
nog juist leeglopen de glorie is vergeven en 
geen microfoon kan de teleurstelling in de 

hakkelende woorden van de verliezers ook maar enigszins temperen


Kees van Meel

Droom

                                 (Uit 'Het geel, de renner en de dood')

Uit de nevel van de tijd komt een renner
naar me toe gereden, een en al souplesse en
met een oogstrelende stijl die helemaal niet
aan de naderende dood doet denken.

Hij knijpt een meter voor me de remmen dicht,
zet de beide voeten op de grond, laat het stuur los,
richt zich op en kijkt me lachend in de ogen,
zijn trui is sneeuwwit, de zwarte koersbroek
zit strak rond de afgetrainde bruine dijen.

We zeggen beiden geen woord,
hij reikt me minzaam een drinkbus aan,
trekt de voetriempjes dicht en verdwijnt
dan in de lange schaduw van de berg.

Zacht en wit als een lam rijst de Ventoux
harmonisch uit het slapend landschap op,
de zon straalt dorst naar me toe.
Ik proef de hitte en drink.

 
Willie Verhegghe

Nieuw idool

                   voor Tom D.

Alle twijfels weg
gefietst - zijn hoofd en benen
hebben ons verhoord


Miel Vanstreels

Oranje kleurt roze

                                         voor Tom Dumoulin

Een er Italiaans uitziende mooie renner rijdt zich
na drie beenharde weken stijlvol het Giro-roze in,
met longen, hart en spieren om U tegen te zeggen,
met een grinta die zijn huid als goud doet glanzen,
in een chronostijl die aan Maître Jacques doet denken,
met een kopje dat verdomd goed weet wat het wil.

Uit het zuiders Limburg drijft Holland boven,
de net-niet-tijden zijn in één ruk weggevaagd,
de bruine duik in een gracht was zelfs nodig
om er nog dagenlang de suspens in te houden.
Indiaan Quintana speelt finaal een figurantenrol
in deze spaghettiwestern op twee wielen en carbon,
Nibali laat in Messina de haaientanden thuis en
bijt zijn ordinair gebit stuk op Maastrichts staal.

En ik, ik denk aan het roze uit mijn kindertijd
toen mijn moeder midden jaren '50 in die kleur
yoghurt in kleine glazen flesjes kocht.
De smaak was hemels en leeft nog op mijn tong,
ik verlang er naar maar hij bestaat niet meer,
het roze van Dumoulin komt in de plaats en
smaakt naar meer, ik ben gulzig, Tom !


Willie Verhegghe

Tom Dumoulin

Een mooie jongen, een jonge
god voor wie zich graag
in lyriek verliest,

alom de wielerhemel in
geprezen om wat hij
mogelijk nog meer
laat zien,

Tom is hot
Tom is cool
Tom rijdt de tijd
aan scherven,

met zijn talent & looks
laat hij harten & toetsen
sneller slaan

en ik, ik gun het hem,
ik gun het ons
zo zeer

dat ik soms
voor alle zekerheid
een wielerbede prevel
tot de Heer


Miel Vanstreels

Bloemen noch kransen

Stan Ockers, ‘Stanneke’ - Eddy Merckx viel
huilend op zijn bed toen hij het nieuws
van zijn grote wielerheld hoorde

Jean-Pierre Monseré, ‘Jempi’ voor de
vrienden - Roger De Vlaeminck voorop,
die na die fatale koers in Retie prompt
volwassen werd

Tom Simpson - hij maakte een desolate
berg voor eeuwig berucht maar zei
wellicht nooit ‘put me back on my bike’

Fabio Casartelli - Johan Museeuw heeft
er nog nachtmerries van en dat wil wat
zeggen want de Leeuw heeft het een en
ander mispeuterd

Marco Pantani - hij besmette Guido
Belcanto met het wielervirus en dat wil de
zanger kost wat kost met de wereld delen

Wouter Weylandt - nooit zal het nummer
108 nog hetzelfde zijn


Stefaan Van Laere

Nomen est omen

Op Sinderen, Harterinkdijk, 1960

A'j good kiekt en vuult
met òw stroeve ogen
zie'j 't olde litteiken.
Op di-j, 't baovenbeen.

Wreed wreef i-j 't uut
nao de val in 't punt
draod, weerbarsteg
as in 'n good gedicht.

Ik dacht er weer aan
bij de lancering,
de landing van de
Zeeuw. Zenuwen lijden,
gelittekend de reet.

Jezus, Sebastiaan,
Saint Hoogerland.


Kat van Corvara

Het is daar prachtig Steven in die Italiaanse bergen
Het landschap ligt er zo tevreden bij dat je vergeet
hoe onverbiddelijk het is, hoe elke klim je tergen
zal en je laatste krachten slopen, mijlen voor de meet

Hier op de top van de Lombarda zal ik op je wachten
Komende zaterdag, de zon schijnt op de kale pas
Een gletscher glinstert en niets wijst nog op het komend jachten 
Van afgetrainde renners door de stilte heen, plankgas

Hoeveel ik van dit landschap hou, de helden mogen komen 
Met jou voorop als in Corvara op die steile muur 
Waar Nibali, Valverde en de rest ín moesten tomen 
En jij, dwars als een Nuenenaar, vertrok dertig per uur  

De koele zekerheid die uit jouw stormloop sprak, verbaasde 
geen volger van de wielersport; dat jij het ín je had 
wist iedereen allang en dat je eindelijk eens aasde  
op een triomf die bij jou past, zat jaren in het vat

Kat van Corvara, groot ben je, en Nuenen zal dat weten,
wat zeg ik, heel de wereld weet straks wat er is gebeurd 
en hoort de jeugd op fietsjes roepen dat ze Kruijswijk heten 
hun hoofdjes van inspanning en inzet rose gekleurd.


JACE van de Ven

Michele Scarponi

ouderdomsdeken en man van grappen
zo graag zat je vooraan de groep te trappen
ik zie jou scherp als een scherf
wie kwam zo snel een slotklim opgereden
die niet door de wind is uitgesleten

kwam het daarom: een busje door de zon
verblind en jij vooraan nu meer dan wind,
plaatstaal tegen je aan

je was een grapjas die ook won:
de Giro en Tireno
omdat je met de betere klom

vandaag in de aprilzon
ben ik gegrepen door dit bericht:
een busje dat jou niet vermijden kon
wellicht omdat het een bocht wou afsnijden

dit is heden, heeft de chauffeur ooit
begrepen, wat hij nog meer heeft afgesneden?


Staf de Wilde

Klimmuur

In Geraardsbergen staat een muur
die bedoeld is om een vluchtende
Zwitser te stoppen.

Maar de Zwitser klimt zoals hij
springt, als een steenbok over losse
keien en afgesleten rotsen.

Achter hem verschijnt de koning van
België bij wie het vuur al wanhopig
wegkwijnt uit het bloedeloos gezicht.

Het touw dat hem aan het bergbeest
bindt, knapt in het licht van zijn holle
ogen, dat langzaam dooft ... en dooft.

Geef een Zwitser op een muur geen
meter, want ongezekerd klimt hij sneller
en verdwijnt uit het zicht - voorgoed.


Harmen Malderik

Boonen klonen

Bij het afscheid van Tom

Wielerreus in het vlakke land van Brel,
brok graniet op wild wentelende wielen,
Kempense mond die heerlijk eerlijk praat,
rouleur pur sang met duivelsdijen:
ik groet je dankbaar bij je koersafscheid.

Maar ik treur en ik zal je missen, Tom, heel erg zelfs
want je stevig karkas brak elke nieuwe lente open,
telkens weer huilden de ontwakende hellingen
onder het geselend ritme van je knallende kuiten,
de kasseien krompen koortsig in hun stenen vel,
koeien en paarden holden wild over weiden,
kinderen die amper konden spreken riepen je naam
en smachtende vrouwen knielden voor je neer,
vormden door en voor jou hun stoutste dromen om
tot lichamen die in lichterlaaie stonden en
slechts met moeite konden worden geblust.

.

Een koersgod was je, een keizer en koning op carbon,
een zegen voor elk ongenadig koerskennersoog,
gehuld in fors Belgisch zwartgeelrood of
met alle kleuren van de regenboog om je borst
gleden de modder van het Bos van Wallers-Arenberg
of het wild opwaaiend stof van Mons-en-Pévèle
van je af als water van een zwaan,
de betonnen piste van Roubaix zinderde onder
de mokerslagen die door je kuiten en voeten
naar de knarsende pedalen werden gejaagd,

Koppenberg,Oude Kwaremont en Muur baarden
muizen onder de terreur van je razende wielen,
je deed kettingen kraken en remmen reutelen
wanneer je hen krachtig tegen de velgen duwde
om door je snelheid niet uit de bocht te gaan.

Het zal veel meer dan zo maar even wennen zijn
aan een peloton waarin je niet meer te bespeuren bent,
de kranten zullen kleurloze en saaie verhalen vertellen
over mannen die altijd in je schaduw hebben gefietst en
die nu plots haast glansloos winnaar zijn geworden,
aan start en finish zal het klassieke reikhalzen ontbreken
want wie zal er buiten Sagan nog zijn om naar uit te kijken,
chique dames zullen zich in hun verlaten vlees verliezen,
verveelde kinderen zullen hun ouders vergasten
op het gegil van kleine Oskar uit Die Blechtrommel,
in cafés zal beduidend minder bier worden gedronken en
men zal de truien van je ploeg niet meer kwijt kunnen
aan de straatstenen, hoogstens aan clochards
die vestimentaire hoogstandjes verfoeien.

Ik smeek je, Tom: word opnieuw twintig,
laat je kundig klonen en keer terug in het peloton,
blijf nog lang over de koppigste kasseien dokkeren en
de verweesd achtergebleven hellingen bestormen.
Als het kan tot in de wielereeuwigheid.
Amen.


Willie Verhegghe

Koers

(Liedje om te zingen op de dag dat de Ronde
van Vlaanderen verreden wordt)


Overmoed trekt al vroeg op pad vandaag.
Lef gaat mee. Gevolgd door Naamsverlangen,
Heraut en Beeldbezoedelaar. Windstilte wacht

nog even af. Overtuiging ligt al vast. Stafrijm,
Metrum, Prosodie, het klikt meteen. Komaan
Dadendrang rij maar in een molentje met ons mee.

Bravoure haalt Werkkracht in. Drama en Hectiek
springen van wiel naar wiel. Kortsluiting
komt op het hoofd terecht. Vallen is niet fijn.

Geen Truken van de foor, maak niemand Blaasjes wijs.
We kijken op noch om, zetten koers richting Einder
in een vreemde zucht naar Helderheid.

Bloedvorm, Panache en Grinta snellen weg,
vliegen samen over de meet. Wie er wint,
wordt straks wel op een foto uitgeklaard.


Paul Rigolle

Milaan - San Remo 1961

alles leek trager te verlopen:
boven op de Poggio de lepe
groep in het wiel van de Keizer

we hoorden lijzig Fred de Bruyne
voor wie de fontein nog mijlenver
stond te wachten, was er wel een fontein?

want plots verscheen de Via Roma
met één renner alleen: hij verscheen
als uit het niets gekomen, was hij
verzwegen al die tijd?

en zie: hij smijt zijn petje van plezier
in de lucht, aan zijn trui van Mercier
herkent ook Fredje  hem wel terwijl
hij van vreugde slingert over de meet

en dan naderen ze: de schuivende groep
nog steeds in het wiel van de Keizer
die afgetekend wint, zou gewonnen
hebben, was er niet die andere,
onbekend nog en moe

een renner van wie we later
zouden houden onder de naam Poupou


Staf de Wilde

Modder en grind

(Gedicht voor Eli Iserbyt)

Tussen Veld en Aula zoekt hij elke dag opnieuw 
de grenzen op. Limieten liggen nooit lang vast.
Wasbord of balken, cross of koers, kruis of munt. 
Geen hindernis houdt hem tegen. Wielen zuigen  

en zingen in modder en grind. De geest is fel, 
de blik richt zich op de einder. IJzer heeft zich 
in zijn naam geschreven. Als weegschaal staat hij 
in de sterren. De beeldspraak gaat wat zwellen:  

Buskruit en poeder heeft hij in de benen en 
voor je het weet omschrijf je hem 
als natuurtalent en pocket-krijger. Man van
Bavikhove en van de hele wereld de kampioen.


Paul Rigolle

Zo sprak de vrouw van Fred

jij bent geen Fred De Bruyne,
de wielerkampioen, die pas ontwaakt
het bed uitsprong en marcheerde
als een mechaniekje

jij glijdt nog suffend uit de slaap,
moet je aan koffie laven en koud
water verfrist jouw slapen:

dan bestaat er een kans
dat je behoort tot de levenden
traag op gang gekomen
met zeven sluiers voor de ogen

de ene mens is de andere niet
je hoorde een vrouw getuigen
van Fredje de Kwieke:
hij sprong de nacht aan duigen
en vloog de dag in als had hij wieken


Staf de Wilde

Ode aan de jonge flandriens

Gemaakt zijn ze, voor de koers,
gebeiteld voor wind en voor kasseien.
Het hoofd vol van bloemenmeisjes,
zegeroes en adrenaline in de dijen.

Gebrand op de Broektestraat, de kick
als eerste de Kwaremont op te stomen. 
Want ongedurig zijn ze en al wielergod
in het diepste van hun velodromen.


Patrick Cornillie

Ronde van Vlaanderen

Uit de nevels van de winter,  
van alle winters  
breekt het ruisende peleton 
 
op zoek naar naakte feiten.  
Kasseien, regen, lintdorpen. Muur.  
Omdat zonder deze inspanning  
de lente niet begint 
 
en van wielrenners valt te leren  
over onze soort, homo sapiens. 
 
De sluwen profiteren van de sterken. 
Wie achterop raakt is verloren.  
Soms gaat een knecht voor eigen kans.  
Te laat aangevallen is te laat,  
te vroeg is fataal.
 
De vorm van de dag. Het juiste moment.  
Alles wat achteraf pas bestaan lijkt te hebben. 
Liefde. Mannenlevens.
 
Sommige toeschouwers zijn ziende blind,  
zij registreren slechts  
kleurige reklamekledij op wielen  
op weg naar Meerbeke. 
 
Anderen proberen de koers te lezen  
als een verhaal over hun bestaan.  
In het donker staan ze nog langs de weg  
zich af te vragen waar ze gebleven waren. 


Rouke van der Hoek

Wim van Est

De anjers trillen
Op zijn kist
Een halve eeuw
Zowat
Nadat hij op
De Col d’Aubisque
Een bocht net had
Gemist

De schok was groot
Zoals ook nu
Want Wim van Est
Is dood


Huisdichter Cornelis

Een flyer op de fiets

je broer was thuis, je wou
nochtans je kamer tonen;
ik bracht dan maar
jouw racefiets naar mijn wagen

mijn dag der dagen, mijn trots
zoals jij rotsvast zat op het zadel
men mocht een vol glas
neerplanten op je rug,
je zou niet morsen

een flyer op de fiets,
een Didi Thureau of Fons de Wolf,
en niets overtrof de zon:
die beleefde de uren van z’n leven
toen een fusee van licht en kleur
uiteenspatte op je aangezicht
en bonter op je fietstrui

de Schelde lag te blinken
en mijn gemoed dat welde op:
het op en neer van jouw dijen
had de souplesse van een grote

ja, een Thureau of De Wolf
en onze klassieker liep langs
het water – heb ik jou aangeraakt
die dag: neen, je schilderde mij
een pater, een kuise coach
die het tempo mocht bepalen
en mocht winnen in de sprint

dag van mijn dagen, feestelijke
tocht langs mijn geliefde rivier
op de dijk op uitkijk stonden
jaloerse mannen, je riep:
kom aan, kom klaar, maar niet tot hier


Staf de Wilde

Mont Ventoux

Velen zijn mij reeds de berg op voorgegaan
Dichters en wielrenners in bonte stromen
Hebben voor mij de Mont Ventoux gedaan
En ook na mij zullen er nog velen komen

Om te ervaren wat het is: per fiets, te voet
Naar het haast onhaalbare te streven
Niets of niemand zegt dat het echt moet
En toch, of juist daarom, wil je het beleven

Het dagelijkse werk van een fenomeen
Als Armstrong, Kal, Petrarca of Anquetil
Stervelingen zoals ik en iedereen
Gaan drie keer dood omhoog op hun twee wielen

Maar bovenop vervallen de verschillen
Talent is ook een vorm van heel graag willen


Huub van der Lubbe

Het oortje

wat is dat toch? het draadje
gewurm met het stukje tape
het vastduwen de hongerklop
bij het horen van: kom op!

je hoort stemmen in je hoofd
verstopt tussen valse kasseien
in hagelvlagen en koeienvlaai

kom op! het klinkt als je oortje
dat moet rijpen want je kunt
niet schakelen niet demarreren
kom op! klinkt een helse fluit

in je echte oor met hoofd en
helm als waaier tegen de borst
gedrukt: hier! mompel je klein
over de vangrail net in ‘t ravijn

pijnlijk exact: hier! de motard
met zwarte helm ziet het oortje
afgepeld liggen in de aardse hel

met een knipoog pasta vreten
uit een zielloos plastic bakje


Bert Struyvé

Hedwig (Van Hooydonck)

in steen gekapt, in brons gegoten,
verankerd aan de gevel van zijn jeugd
waarachter hij als puber droomde  
van koerslegende en succes

zo wil hij voorgoed herinnerd
blijven, de Rondeheld die Muur
en Bosberg tot legende maakte,
zichzelf tot eeuwigheid

solerend in een wolk van tranen
gaf hij geluk een nieuwe vorm,
de gladiator van de weg een
craquelé van knuffeldier

toen hij het voor bekeken hield,
adieu arena van bedrog,
werd hij plots spiegel aan de
wand voor zo vele ontkenners

bij sprookjes voor het slapengaan,
op zoek naar eer en helden, duikt
hij soms op als waan en witte ridder,
op zoek naar Meerbeke  en meer


Herman Laitem

Soms

Moe van veel kruip ik
op de fiets - lekker afzien
zuivert het gemoed


Miel Vanstreels

Groen!

Voor wie van het vlakke houdt,
adviseren wij de laatste minuten,
want dan komen ze, de circusartiesten,
de macho’s van de klare eenvoud –
de kortste weg is hun het liefste.

Ze drinken uit dezelfde bron,
spreken met hun dijen, spelen
graag met vuur, gooien met het
stuur of steels met een bidon,
met zestig of zeventig in het uur.

Ze lachen om sprintende spillebenen
die strijden op derderangs colletjes
om een poppentrui met rode bolletjes.

Champagne, bloemen, een dikke zoen
en een trui in effen, stijlvol groen
is er voor kamikazepiloten,
een mazelentrui voor smakelozen.


Gedicht voor Koolskamp Koers

Van krantenkop naar hyperlink, van houten velg
naar carbon-gerinkel. Eerst nog rond de ton
en later rond de kerk. De straten zijn onze archieven.

Koolskamp: een dorp nog steeds, een voetnoot groot,
als voor de tijd verloren. We liepen hier school
en raakten in de ban van de koers en van de metaforen.

De Gilde werd de Sloeber. Focus een jeugdhuis
waarin we onze mooiste uren sleten.
Voor de kerk loopt het een beetje op

en bij de steenbakkerij stuift het bij het leven.
Bij de bookmakersborden en de hotdogkramen:
Er wordt gewonnen, er wordt verloren.

Het lied van de Leeuw. Een erelijst
om mee te pronken. Van alle kermiskoersen
is dit dé allerlaatste klassieker.

Honderd jaar heet een eeuw te zijn.
Vrienden en vaders verdwijnen met de jaren
maar wie jong is neemt het van hen over.

Al is de wereld wijd en weids geworden,
nog gaan wij op in wat komt toegestroomd,
tollend en vierend zoals in september

de letters in het woord kermis.


Paul Rigolle

Minder, minder, minder...

Het is niet wat u denkt, nee,
de Ecclestoontjes
in wielerland
hebben ’n lumineus idee.

Volgend jaar de Tour en Giro
met een man of acht,
de Omloop met zeven,
zo hebben de heren ’t bedacht.

Renners en hun wielerbazen
duikelen over elkaar heen,
de een is voor, de ander tegen,
geen onbekend fenomeen.

En wat is het nieuws uit Aigle:
‘er verandert niets,
volgend jaar rijden we
gewoon weer op de fiets’.


Nol van ‘t Wiel

Op glad ijs

op glad ijs, o cliché
zo’n demarrage gaat in ijsbloemen onderuit
de racefiets van de modder nauwelijks bekomen
met de van kou gekromde handvatten fier vooruit
de buizen fabrieksmatig met een plus verstijfd
stil ligt de tricolore op glad ijs

glij, glij, glijfiets, een baantje naar je vrijheid
stuur je berijder snel naar het warme honk
het is koers in ruste, de strijd is gestreden 

een zege van de natuur is nooit gestolen
van verstoppen kan geen sprake zijn
de natuur stolt kerstkransjes inclusief de smering

tot wanneer we weer
uit het wiel mogen springen
wanneer het wielerhart mag openbreken
tot dan bevriest elke rauwe bil -o cliché- op glad ijs 


Bert Struyvé

Freddy Maertens

Nooit schoot iemand
sneller uit het peloton als hij:
Freddy, als menselijk variant
van lynx en luipaard,
loerend op zijn prooi,
met opgespannen dijen
die als klauwen
in de eindmeet haakten.
Maertens, mysterie flash
die de camera obscura
van de wielersport aan flarden
en in lichterlaaie spurtte.


Willy Verhegghe

Het lot van de knecht

Op de Col du Grand Cucheron groeide je
door de angst voor de leegte heen, deed je
steeds beter voort, door hoogte aangejaagd.
Ook die ellendige Col du Granier schroeide.

De schuren die jij passeert zie je niet. Toch
zijn ze vol van voedsel, van te melken geiten.
Je drijfveer? Het vuur van die fijne pijn, daar
gaat het je om. Het volste recht heb je. Maar

mocht het te herdoen zijn, dan zou je liever
beter zijn. Je bent echter wat je bent. Meer
valt er straks niet te doen dan je toekomst aan
het verleden te meten. Dat moest je al weten

voor je hier aan begon, jongen. In je dromen
wegduikende kopmannen, en doortraptheid.
Als je morgen vroeg ontwaakt voel je je weer
een adelaar, maar wel met honger. Wie weet

wat de rit naar de zee brengt. Nu is je palmares
nog leeg, als een volière zonder vogels.


Bert Bevers

Outfit

Een coureur verkleedt zich
in wie hij is. Een kampioen
in arc-en-ciel of tricolore trui.
Een leider in geel of in groen.

Andere coureurs verkleden zich
in wie zij moeten zijn. Een lakei,
een dienaar van het vak, glad
en strak, stevig in het livrei.

Het livrei van de broodheer,
gestileerd en racy, kleurrijk
en synthetisch, merkelijk geheel
en al volgens het marketingplan.

Mooi en modieus dus, al leken ze
vroeger toch meer Mann.


Patrick Cornillie

Koerszondag

als na het zondagse menu
de koers haar weet te strikken
om zalig onderuit te zakken

zoekt ze languit de sofa op,
lui-loom en culinair voldaan,
het hoofd van wijn beneveld

dan laat ze zich masseren door
het timbre van hun stemmen,
de palavers van hun kennis

op weg naar Oude Kwaremont
of Monte-, Kemmel-, Rodeberg
of op de vlucht naar Harelbeke

en in geen tijd valt ze in slaap
geen pil die sneller werkt,
geen sport die zachter wiegt

dan deze rozenkrans van bulten,
de puisten van Zuid-Vlaanderen,
op klank van Wuyts-De Cauwer

dat koers zo ’n rust kan wekken
terwijl ik speculeer en nagels bijt
is voer voor therapeuten

en als de rit gelopen is, zij wakker
schiet en vraagt vanuit een mist
wie wint? Ik: Sagan – zij: echt? –

dan glimlacht ze, doet weer de
ogen dicht, droomt zoetweg
verder in een wereld zonder wielen.


Herman Laitem

Dope is hope

Ach jongen, het gaat om de poen!
Kijk naar de truien die wij dragen:
Als daar geen merkennamen stonden,
Nee, dan reden wij geen ronden,
Waren er geen ritverslagen,
En had Michel ’s zomers niks te doen.

Houd dus op met al dat klagen
Over een cleane sport,
Wij zijn geen amateurs,
Wij zijn beroepscoureurs,
Wij rijden niet op gort,
Wij doen wat jullie vragen


Elvis Peeters

Energie

Een soepele pedaalslag jaagt mij voort
langs velden van fluitenkruid en koolzaad
die buigen voor de lichtheid van mijn
bestaan.

Ik ben losgeraakt van iedere waarde
en norm, bezit een koninklijke gratie,
een eigen jargon en het vernuft van
mijn versnellingsapparaat.

Ik vlieg met de snelheid van de stroom
en haar lied van onbegrensde energie
langs water vallend in ravijnen, langs
windmolens en zeegetijden, onder een
altijd schijnende zon.

Mijn benen drijven almaar draaiend
de zacht zingende wielen aan
en voeren mij eindeloos mee
in mijn eigen perpetuum mobile.


Harmen Malderik